Afgelopen zaterdag zou in het teken staan van mijn jaarlijkse Big Day en aangezien ik nagenoeg de enige was die interesse had, stond ik om 00:00 uur in de mist bij de plek van de door Jacob Bosma ontdekte grote karekiet. Hier bleek al snel dat de eerste dip een feit was aangezien het heerlijk stil was, geen karekiet te horen!
Ai, da's nog al eens een domper om zo te beginnen (zoals ze in Vlaanderen zouden zeggen). Ik probeerde me onderweg naar het Lauwersmeer te vermannen tegen het idee dat dit wel eens een voorbode zou kunnen zijn en kwam daardoor vol goede en frisse moed, maar met nog lege handen, aan in Lauwersoog.
Hier stopte ik en deed ik het raampje open waardoor de nachtegalen die hier zongen als eerste soort konden worden genoteerd. Da's tenminste nog iets (en bovendien een soort die ik in 2008 wist te missen...).
Het gevoel was weer opperbest toen ik bedacht op de terugweg nogmaals de grote kakekiet-plek aan te kunnen doen voor een herkansing na hier in het Noorden een en ander eerst op te rollen. Een ruim uur later verliet ik volkomen gedesillusioneerd het Lauwersmeer want behalve wat kleine karekieten, rietzangers en ander onbelangrijk riet-spul had ik niets weten te vinden. Géén houtsnip, kwartel, porseleinhoen en zelfs geen waterral. Door de mist waren uilen ook nagenoeg uitgesloten. Een korte stop bij de steenuilen van Warfstermolen leverde ook niks op.
Op de weg richting de Jan Durkspolder deed de grote karekiet deze keer wat van hem verlangd werd namelijk zingen. Yes, dat was tenminste iets. Maar ook in de Jan Durkspolder was er niet veel te beleven. Een sprinkhaanzanger en een roerdomp was de matige score. Bah!
Op naar Zuidoost Friesland en Drenthe; geen kwartel, geen kwartelkoning, geen waterral, geen porseleinhoen, geen watersnip, geen bosuil; wat deed ik hier eigenlijk?
In het donker liet ik David en Rommert bij Wateren even schrikken maar het lukte hier wel om nachtzwaluw op papier te krijgen. Het was inmiddels licht aan het worden en ik besloot het maar rustig aan te doen want dit zou toch geen goede Big Day worden, ik had al zo veel gemist.
In tegenstelling tot de nachtelijke soorten liepen de zangertjes, duiven en spechten als een trein. Alle duiven, alle spechten, beide vliegenvangers en in potentie lastige soorten als kruisbek, appelvink, goudvink, grauwe klauwier, boomklever, glanskop, goudhaan en de beide roodstaarten waren in een mum van tijd in the pocket.
Ook de kraanvogels werkten goed mee waardoor het Big Day-bloed weer wat harder ging stromen. Dat dit blijkbaar niet goed was bleek uit het feit dat het onmogelijk leek de zwartkopmeeuwen te vinden en ook lukte het niet om een boomvalk of watersnip te pakken te krijgen. Kuifmees en staartmees bleven onvindbaar en ook de roofvogels lieten zich niet zien (geen havik, sperwer of wespendief gedurende de dag).
Diependal voorzag me van de broodnodige roodhalsfuutjes en ook kon ik hier mijn eerste tafeleenden noteren. Een aantal ringmussen werden onderweg gezien en een gele kwikstaart werd overvliegend gehoord. Onderweg terug richting het Noorden werden een paar fluiters op de lijst gedumpt.
In het Lauwersmeer was het zomerhuisbos eerst aan de beurt. Een wielewaal liet zich maar mondjesmaat horen en de zomertortels waren zelfs stil (maar die had ik ook al). Vanaf de heuvel werd niet veel nieuws meer gezien. Een paar bruine kiekendieven cirkelden boven het riet maar baardmannetjes lieten zich niet horen, laat staan zien. Ook de zeearend was “even“ uit beeld.
Voordat Paesens zou worden bezocht, besloot ik een eerste bezoek in de Keeg te wagen. Hier liet een fraaie bruingekleurde koekoek zich voor de verandering eens leuk op de foto zetten maar veel tijd kon hier natuurlijk niet voor worden genomen.

In de Noordelijke Ezumakeeg konden de eerste leuke steltjes worden genoteerd en in Zuid sloot ik me aan bij Toy en vogelvriend uit het Zuiden des lands. Hier konden we o.a. gestreepte strandloper, zeearend (hier wel..), bonte strandloper, zwarte ruiter, kleine plevier, lepelaar, wintertaling (1 ex!!) en krombekstrandloper bijschrijven. Leuk en onderhoudend!
Dat mijn voorbereiding blijkbaar niet klopte bleek toen ik de dijk bij Paesens al halverwege op was gelopen en het wad overkeek. Waar waren die zandplaten met al die duizenden steltjes eigenlijk? Er was helemaal niks van ze te bekennen. Geen zilverplevier, kanoet of drieteenstrandloper en ook geen steenloper, wulp of groenpootruiter.
Het bleek een dure misrekening en de vermoeidheid begon inmiddels ook zijn tol te eisen. Het feit dat ik de middag ervoor door mijn rug was gegaan hielp ook niet mee en de zeurende pijn werd met elke dip weer wat erger. De lange wandeling terug naar de auto zette me aan het denken en bij een telling in de auto van wat ik al had en wat nog kon, besloot ik er de brui aan te geven aangezien het moreel was gebroken. 122 soorten had ik weten te zien of horen en met nog een uurtje of 9 te gaan was er misschien best nog wel wat mogelijk geweest. Het ontbrak me dit keer aan doorzettingsvermogen en er was niemand die me dat steuntje in de rug kon geven die ik op dat moment nodig had. Ik had een slechte nacht achter de rug, teveel dips moeten incasseren en ook het lichamelijke begon zijn tol te eisen.
De laatste nieuwe soort voor de dag was een eenzame rotgans. De onderweg naar huis in gedachten hebbende oeverzwaluw en roek werkten niet mee en het bleef dus bij 122 soorten voor de Day. Teleurstellend maar met een paar sprankjes hoop voor de toekomst; meer dan 10 soorten die vorige keren niet waren gelukt, had ik nu wel (andersom maar even niet optellend!).
Hoogtepunten waren toch de grote karekiet, de zeearend, 2 overvliegende kruisbekken, kleine bonte specht, de gestreepte strandloper en de nachtzwaluwen. Samen met de zomertortels zijn de 2 laatstgenoemde soorten verantwoordelijk voor een lijsttoename van 3 soorten tot 269 soorten in 2010 tot nu toe.
Een verkort lijstje met wat nog wel had gekund als ik tot en met de avond was doorgegaan: pijlstaart, zomertaling, krooneend, topper, eider, grauwe kiekendief, sperwer, kwartel, bosuil, kerkuil, ransuil, steenuil, houtsnip, watersnip, waterral, porseleinhoen (R&D hadden ‘m wel in de J. Durkspolder), dwergstern, Noordse stern, oeverzwaluw, heggenmus (!), kuifmees, matkop, staartmees, baardmannetje en roek hadden tot een best leuk lijstje kunnen leiden van misschien wel 150 soorten. En met een betere planning waren ook zilverplevier, drieteenstrandloper, kanoet, wulp en steenloper op de lijst beland.
Volgend jaar maar weer eens een poging!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten